Rivier L’ yonne

De Yonne is normaal gesproken het hele jaar over 108 kilometer bevaarbaar en loopt van Auxerre naar Montereau. Hier ontmoet ze de Seine en moet ze haar naam onterecht opgeven. De Yonne loopt ook nog mee op met het Canal du Nivernais en wordt in mijn beschrijving van dat prachtige Canal nog vaak genoemd.

De Seine ontspringt zo’n 40 kilometer ten noordwesten van Dijon, terwijl de Yonne in de Morvan haar oorsprong heeft. In Montereau, ten zuidoosten van Parijs, vloeien de twee dus samen en men heeft altijd aangenomen dat de Seine de grootste inbreng had, vandaar dat de rivier vanaf dat moment de Seine heet. Echter de Seine brengt ca. 75 kubieke meter water per seconde in terwijl de Yonne er 105 per seconde weet te leveren, zo’n 40% meer dus.

We passeren hier regelmatig barrages, kunstmatige belemmeringen die het niveau van de rivier regelen en er voor zorgen dat ze bevaarbaar is. Ze zien er uit als “watervallen” waarnaast de sluizen gelegen zijn. In de zomer van 2001 werd de doorvaart voor grote schepen (langer dan 15 meter) en voor schepen met een diepgang van meer dan een meter verboden, omdat de barrages door de heftige overstromingen van het voorjaar van 2001 behoorlijk gehavend waren en voortijdig aan reparatie toe.

De Yonne dus, met steden als Auxerre, Joigny, Villeneuve sur Yonne, Sens en Montereau. Een heel geschikte rivier voor mensen die wat onrustig worden als ze `s avonds niet een stadje in zouden kunnen, en die het liefst iedere avond een restaurant opzoeken. Auxerre, daar uitgesproken als Osèr, is een stad waar ik niet genoeg van kan krijgen. Iedere keer is het weer heerlijk om er voor een paar dagen onze thuishaven van te mogen maken aan de voet van la Cathédrale St-Étienne en l’Abbey St-Germain. Auxerre heeft een pleziervaarthaven en wordt ook door veel hotelboten aangedaan. Al wil je geen kerk, museum of abdij zien, de levendige binnenstad met z’n prachtige oude vakwerkhuisjes en hoekjes, maken dat je binnen vijf minuten na aankomst al helemaal op vakantie bent. Als je de tijd hebt kun je vanuit het Office du Tourisme met een gids de stad doorkruisen. Kijk vooral vooraf in de diverse reisgidsen naar Auxerre, doorgaans zijn er heel wat pagina’s aan besteed. In de praktijk is gebleken dat mensen hun auto in Auxerre zonder problemen kunnen achterlaten, tegenover het Office du Tourisme, waar doorgaans ook ons schip ligt. Er is in het seizoen veel sociale controle omdat ook veel kampeerauto’s er de nacht doorbrengen.

Stroomafwaarts is het een flinke tocht naar Joigny, die ook eerder, na zo’n 7 sluizen, gestopt kan worden om een overnachting in “het niets” te hebben. Een heerlijke zwemplek met hout voor het oprapen voor een barbecue en/of kampvuur.

Joigny wordt dan de volgende dag bereikt, na een uur of drie varen. Deze stad afficheert zichzelf als een openluchtmuseum op de grens van Champagne en Bourgogne. Dat is een beetje toeristische grootspraak natuurlijk, maar het ligt wel prachtig, als een soort amfitheater boven de Yonne. De huizen lijken tegen de krijtachtige rotsen geplakt. Hier komt de Côte Saint-Jacques vandaan.

Bij het Office du Tourisme aan de waterkant is een overdekte markt. Eens in de week uitgebreid met een buitenmarkt, waar dan ook levende kippen, kwartels en konijnen te koop zijn. Overigens kom je als visliefhebber ook aan je trekken in Frankrijk. In elke grote supermarkt en op de markt is er een enorme keus. Kreeft is vaak levend uit te zoeken, en ook oesters zijn doorgaans heel betaalbaar. Er valt veel te zien en te wandelen in Joigny: veel vakwerkhuizen, gedecoreerde houten zuilen, de boom van Jesse, een verzetsmuseum, de l’Église Saint-Thibault en in de plaatselijke bibliotheek kun je voor niks even het internet op mocht je daar slecht buiten kunnen. En met een boek in de zon of met een hengeltje in de Yonne kan natuurlijk altijd ook.

Een kilometer of 20 verderop ligt Villeneuve sur Yonne, een stadje met 5000 inwoners. Daar lijkt iedere steen op de andere gelegd te zijn ter ere van het stralende middelpunt: l’Église Notre-Dame, die boven alles uittorent. In 1163 besloot Lodewijk de VII de bestaande bedrijvigheid in dit nogal drassige gebied om te vormen tot een stadje, ja zelfs een koninklijke residentie. Begin 13e eeuw liet koning Philippe-Auguste er een kasteel optrekken, waarvan alleen de Grosse Tour over is. De stadswallen hebben inmiddels plaats gemaakt voor groen, maar er staan nog wel twee stadspoorten, aan weerszijden van de hoofdstraat. In de Porte de Joigny, een robusteling met 4 markante hoektorentjes, zit nu een museumpje waar de lokale geschiedenis wordt belicht.

De eerste steen van de Notre-Dame zou in 1163 door paus Alexander III zijn gezegend. Wij waren gefascineerd door de gebrandschilderde ramen, de mooiste die we tot nu toe ooit zagen. En we hebben inmiddels wat kerken van binnen gezien.

Een hoogbejaarde kreupele koster leende ons een verrekijker om de details goed te kunnen zien. Er zaten allerlei afbeeldingen in andere afbeeldingen en achtergronden verborgen. Zo knap en mooi! Op onze vraag of we ons 10 francs stuk in het offerblok of in zijn hand moesten deponeren, grijnsde hij schaapachtig en hield ons zijn open hand voor. Na ons sloot hij de kerk en zagen we hem door de dorpsstraat richting café strompelen.