Hotelboot op Canal du Midi

Het idee om een verbinding te maken tussen de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee bestond al in de tijd van de Romeinen. De koningen Frans I en Hendrik IV lieten o.a. onderzoek verrichten, dat echter op niets uitliep. Uiteindelijk is het te danken aan Pierre-Paul Riquet, baron van Bonrepos (1604-1680), die in de Languedoc de zoutbelasting van de koning inde, dat het immense project, op zijn eigen kosten, daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Zijn werk werd, nog tijdens z’n leven, voltooid met de aanleg van de haven van Sète. In de 19e eeuw werd het Canal du Rhône à Sète en het kanaal dat parallel aan de rivier de Garonne loopt geopend.

De Seuil de Nauroze, een “pas” op 194 m hoogte, de drempel, vormde een onoverkomelijk obstakel bij de plannen een kanaal te graven ‘tussen de twee zeeën’. Riquet, een vindingrijk man, bedacht de oplossing nadat hij tot in detail de plek had bestudeerd. Op de Seuil de Naurouze ontsprong de Fontaine de La Grave, waarvan het water zich in twee verschillende beken scheidde zodra het aan de oppervlakte kwam. De ene stroomde naar het westen, de ander naar het oosten. Men hoefde dus alleen maar deze watertoevoer te laten toenemen om zo op het hoogste punt voldoende water te hebben, zodat het mogelijk zou zijn sluizen op beide hellingen te bouwen, die continu van water konden worden voorzien. Om dit idee uit te voeren maakte Riquet gebruik van de talrijke bergstromen van de Montagne Noire. Riquet slaagde er in het water van de Alzeau, de Vernassonne, de Lampy en de Sor op te vangen en om te leiden via een toevoerkanaal naar het stuwmeer van St-Ferréol, en vervolgens door te leiden naar Naurouze.

Vanaf 1666 zijn 10.000 tot 12.000 mannen en zo’n 600 vrouwen veertien jaar lang met het werk bezig geweest. Riquet betaalde zelf een derde deel, meer dan 5.000.000 pond, van de kosten van dit geweldige karwei. Hiervoor moest hij leningen tegen zeer hoge rente afsluiten en offerde hij aldus de bruidschat van zijn dochters.

Hij stierf uitgeput in 1680, een half jaar voor de openstelling van het kanaal. Tijdens de Restauratie kregen de vertegenwoordigers van de familie hun rechten terug die ze tijdens de Revolutie kwijtgeraakt waren. In 1897 stemden zij toe in de verkoop van het kanaal aan de Staat. Sindsdien wordt het door de overheid beheerd.

Als Nederlanders waren we al gauw onder de indruk van de waterbouwkundige werken van de Fransen. Als je je realiseert dat de meeste van de werken hier dus tussen 1600 en 1700 gebouwd zijn, en er na zo’n 350 jaar nog zo glorieus bijstaan, kun je begrijpen dat het Canal du Midi tot Werelderfgoed is benoemd.

Spaarbekkens, stuwmeren, overlaatvoorzieningen, bruggen, aquaducten, brugkanalen, sluizen, sluistrappen, herbergen, molens, sluiswachterhuizen, de havens, zelfs kerkjes en niet te vergeten de platanen, populieren, en de parasoldennen die de geleiders van de trekpaarden vroeger de nodige schaduw bezorgden maar ook nu nog het water voor te snelle verdamping behoeden.

Het door Riquet aangelegde kanaal, dat 240 km lang is, begint in Toulouse, waar het Canal latéral à la Garonne eindigt, en het mondt uit in het Étang de Thau. Daartussenin liggen 91 sluizen. Het kanaal wordt niet meer door de beroepsvaart gebruikt omdat de sluizen berekend zijn op de schepen van weleer en dus niet langer zijn dan 30 meter. Het personenvervoer over het kanaal, dat voor het ontstaan van de spoorwegen werd verzorgd door kleine ‘postscheepjes’, die met een snelheid van 11 km per uur voeren, komt na een eeuw van verval weer tot leven, maar nu in de vorm van watertoerisme. De modernisering van het kanaal is begonnen met het stuk Toulouse-Villefranche de Lauragais (43 km).

Als je over Toulouse wil vertellen is het vooral de kunst om je te beperken. In de groene Michelin-gids worden maar liefst 16 pagina’s aan deze indrukwekkende stad besteed. De keuze aan cultuur, theater, muziek en musea is overweldigend. Wellicht een stad om aan het einde of voor het begin van een vaartrip te bezoeken. Een gezellige, bruisende stad. Een studentenstad, en een stad met een enorme geschiedenis. In de 3e eeuw was het al de derde stad van Gallië! De basiliek van St-Sernin, waarvan de bouw in 1080 begon, gaat door voor de beroemdste en mooiste grote Romaanse bedevaartkerken in Zuid-Frankrijk. De kerk is genoemd naar de 1e bisschop van Toulouse, die in het jaar 250 de marteldood stierf nadat men hem aan een stier had vastgebonden.

Het Office de Tourisme organiseert thematische wandelingen langs het artistieke erfgoed van de stad. Er zijn ‘paspoorten’ verkrijgbaar waarbij 2 tot 5 bezichtigingen kunnen worden gecombineerd. Aan boord is voldoende materiaal om je van tevoren te oriënteren over de stad en haar mogelijkheden, de gezellige wijken en winkelstraten.

Markten zijn een attractie in Frankrijk, en in Toulouse komen we altijd aan onze trekken. Op zondag is er ’s ochtends markt, waar boeren en tuinders hun groente, fruit en gevogelte verkopen. ’s Winters worden er op de Place du Salins ganzen, eenden en foies gras verkocht.

Na Toulouse komt het haventje Négra dat in de tijd van Riquet dienst deed als rustplaats, met een herberg, paardenstallen, een ijshuis en zelfs een kapel. Een bruggetje met ezelsrugboog loopt over de Thésauque. Deze beek stroomt haaks op het kanaal, dat er via een aquaduct overheen is geleid. In de buurt staat een boerderij die zo kenmerkend is voor het gebied van de Lauragais; een langgerekt pand zonder verdieping en in het verlengde daarvan de ‘open’ schuren met grote rondboogarcaden.

Iets verderop, naast de Autoroute A 61, ligt het haventje van Lauragais. In het midden van het haventje staat op een schiereilandje een groot gebouw met winkeltjes, een restaurantcafetaria en het “Centre Pierre-Paul Riquet”. De architectuur van dit centrum is geïnspireerd op de vorm van de oude droogdokken in het kanaal. Pleziervaartuigen die op doortocht zijn, kunnen voor een ligplaats terecht bij het kantoortje van de havenmeester.

De Obélisque de Riquet, opgericht in 1825 door zijn nazaten, staat op een omheinde natuurlijke sokkel van ‘stenen uit Nauroze’, tussen het kanaal en de Col de Naurouze. De overlevering wil dat als de spleten in de stenen zouden dichttrekken, de maatschappij tot losbandigheid zal vervallen en het einde der wereld nabij zou zijn….. Goed kijken dus. Vanuit de Obélisk kan je te voet naar de Seuil de Naurouze. Hier wordt het in de Montagne Noire verzamelde water over de twee stroomgebieden van het Canal du Midi dus verdeeld. Riquet had hier een stad willen bouwen, maar dat plan had geen succes; de gebouwen zijn uiteindelijk bestemd voor het onderhoud en de exploitatie van het kanaal. Er loopt een beschaduwd pad rond het achthoekige bezinkreservoir, dat tussen 1669 en 1673 werd gegraven. Je ziet achtereenvolgens het pompstation voor irrigatie van de Lauragais, de overlaat om het overtollige water naar de Fresquel te lozen, het scheidingskanaalpand, de sluis die het water uit het aanvoerkanaaltje van la Montagne Noire in het kanaalpand lost en tot slot l’Écluse l’Océan (1671), de 2e sluis aan de Atlantische kant. Rond het bassin ligt een arboretum met o.a. aleppodennen, lotusbomen, ceders uit de Atlas en wilde kersenbomen.

Vanaf Port Lauragais komen we in Castelnaudary, waar de watersport een belangrijke plaats inneemt, niet in het minst omdat het ligt aan het grootste kunstmatige stuwmeer in het Franse kanalenstelsel, het zgn. “Grand Bassin”. Aan het begin van de 20e eeuw waren er nog een tiental molens in bedrijf op de heuvels boven Castelnaudary.

De meesten zijn inmiddels verdwenen, maar staat nog een mooie gerestaureerde uit de 17e eeuw met een draaibare kap en een nog werkend maalsysteem, de Moulin de Cugarel, vanwaar je ook een prachtig uitzicht hebt over de vlakte van Lauragais. Tegenover de plaatselijke Cave is een kleine ambachtelijke slager waar we de, over het hele land beroemde, cassoulet kochten die we aan boord slechts in de oven hoefden af te maken. Doen we zeker nog een keer! Ook hier weer kerken, ’n museum, ’n grote weekmarkt, met verse oesters voor een schijntje. Een overzichtelijk provinciestadje waar we altijd met plezier naar uitkijken.

Via het Grand Bassin komen we bij een trap van vier sluizen, waardoor we op weg gaan naar Carcassonne. In december 1997 werd deze stad op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO geplaatst. De (huidige) benedenstad is heel levendig, maar de toeristen komen vooral voor ommuurde vestingstad, La Cité.

Het is de grootste bewaarde vestingstad van Europa, opgebouwd uit een versterkte kern, het kasteel van de graaf, met daaromheen een dubbele muur.De muren zijn voorzien van 38 (!) torens. Er wonen 140 mensen permanent in de oude stad, er is een postkantoor en een school, maar de meeste levendigheid daar komt toch van het toerisme. In de Porte Narbonnaise worden wisselende tentoonstellingen van moderne schilderkunst gehouden. In de Tour de l’Inquisition is een museumpje met martelwerktuigen te bezoeken; voor de liefhebbers……. Het voert te ver om te proberen hier de hele Cité te beschrijven. Het is in ieder geval onvergetelijk!

In de benedenstad is er minimaal één kerk die een bezoekje waard is, de St. Nazaire Basiliek. Oorspronkelijk in de 11e eeuw gebouwd en door de jaren heen verbouwd waardoor de verschillende stijlen nog goed te zien zijn. De vele zijkapellen geven de enorme kerk een bijna gezellige huiselijke sfeer. De gebrandschilderde ramen worden beschouwd als de mooisten van Frankrijk. Sommige van de graven en beelden zijn op zich al een bezoek aan de St. Nazaire Basiliek waard.

Van Carcassonne naar Trèbes. Het haventje ligt hier vaak vol en er is een haakse bocht in het kanaal waar huurbootjes nogal eens in volle vaart de hoek om komen stormen en dan verontwaardigd zijn “dat wij zo groot zijn”. Gelukkig zijn we inmiddels op dit soort situaties bedacht en blijven we er zelf wel kalm onder. We leggen de boot vaak heel rustig ergens neer, op een paar honderd meter van de haven, met uitzicht op de wijnvelden in het kanaal en lopen die 5 minuten naar het oude centrum wel. Een echt Midi stadje, zo’n 6.000 inwoners met een klein eeuwenoud centrum, maar ook een overdekt zwembad, tennisbanen, winkels en restaurants. Trèbes profiteert toeristisch zeer van zijn buitengewoon gunstige ligging. Het ligt slechts 7 kilometer van de Cité van Carcassonne. Ideaal als je de echte stad liever niet gebruikt als overnachtingsplek. Wie van historische plekken houdt vindt binnen een radius van 30 km een aantal Kathaarse Kastelen (Lastours,Termes ), kleurrijke oude dorpjes, en wijnkelders om te bezoeken.

We verlaten Trèbes via een driedubbele sluis en komen langs Laredorte, waar we water kunnen bijtanken en zakken af naar Homps. Niet zo’n interessant stadje, maar het haventje is mooi gelegen met uitzicht over de weidse velden naar de Montagne Noir. Homps heeft zijn expansie aan het Canal du Midi te danken, vooral omdat in de haven vrachtschepen konden draaien.

Zoveel mensen gebruiken Homps voor een tussenstop dat 2 restaurants en een café er op kunnen draaien. Mocht je hier ooit langs varen realiseer je dan eens dat Louis XIV hier dit kanaal ooit opende. Homps is een mooie uitvalsbasis om de Minervois regio te bezoeken.

Niet ver van Homps ligt Argens-Minervois, een buitengewoon prachtige eeuwenoude plaatsje te soezen. hier begint het grote kanaalvak van 54 km. zonder sluizen, dat loopt tot aan de sluizentrap van Fonséranes bij Béziers. Het haventje is van een romantische eenvoud en voor kleine kinderen is er een speeltuin. Voor de liefhebbers is er een archeologisch en paleontologisch museum, waar duidelijk gemaakt wordt dat er hier 170.000 jaar geleden al jagers woonden. Ook van de strijd tegen de Catharen zijn er nog overblijfselen te vinden.

Via Roubia komen we bij Paraza en bereiken dan Ventenac-en-Minervois, een hoog boven het kanaal gelegen dorp. Vanuit het kasteel heb je een prachtig uitzicht over de vlakte van Lézignan met z’n wijnvelden langs de oevers van de Aude. Je kunt vanaf het schip zo even het kasteel binnenwippen om er van de wijnen te proeven of het museum te bezoeken. De liefde voor goede wijn en prachtige gebouwen brachten de wijnboeren uit de omgeving zover om het kasteel met z’n enorme wijnvelden in 1938 op coöperatieve basis over te nemen.

De tijden zijn voorbij dat door paarden getrokken post- en vrachtboten sierlijk door het Canal du Midi gleden. Die sfeer is nog steeds in te ademen in Le Somail. Het oude ijshuis, de herberg en zelfs een schipperskerkje staan er sinds 1680 nog steeds in volle glorie. De vrachtboten zijn door de snelle moderne tijden verdreven maar hun plaats is ingenomen door plezierboten van nogal verschillende pluimage.

Doordat Le Somail zoveel behouden heeft uit die oude tijden is het een geliefde halte voor de watertoeristen. Een museum, poterie, een bieb vol oude franse boeken, restaurant, en een wijnhandel liggen op korte afstand van de romantische oude herberg met z’n stallen waar de vermoeide paarden omgeruild konden worden voor verse. Vrij veel Engelsen zijn in Somail en de omgeving neergestreken. In het Château Cabezac kan wijn geproefd en gekocht worden, maar dat kan hier langs het kanaal zowat in ieder gehucht.

Het kanaal vervolgend komen we bij Port-la-Robine, een klein “parkeer”haventje waar veel mensen hun boot achterlaten voor de winter. Het Canal du Midi heeft hier een zijkanaal, het Canal de la Robine dat via Narbonne naar Port-la-Nouvelle aan de Middellandse zee loopt. We liggen vaak bij de splitsing van deze 2 kanalen omdat het er zo heerlijk landelijk is, met de parasoldennen, het riviertje de Cesse dat onder het kanaal doorloopt, en de lokale schaapsherder die meermalen per week over het jaagpad met honderden schapen langskomt. Door hun bellen horen we ze lang van te voren al aankomen. Ze raken soms te water wanneer ze uit het kanaal staan te drinken en ze schrikken van de herdershond die hen blaffend tot doorlopen probeert te manen. De herder moet geregeld terugkeren om een schaap uit het kanaal te trekken. Vanuit deze plek zijn er prachtige wandeltochten te maken en er ligt op loop/fiets afstand het Musée Amphoralis, een onlangs opgegraven Gallo-Romaanse pottenbakkerij-complex, met meerdere ovens waarin sierlijke 25 literpotten werden gemaakt om wijn te vervoeren.

Als we er voor kiezen om het Canal de la Robine op te gaan, hebben we een flinke maar mooie dagtocht nodig om Narbonne te bereiken. Toeristen worden niet alleen aangetrokken door de bijzondere architectuur op kerkelijk, militair, en burgerlijk gebied. Narbonne is een prachtige levendige stad, met een indrukwekkende entree per schip. We kunnen nog maar nét onder een boog door die zich bevindt onder een van de huizen die boven het kanaal zijn gebouwd.

Zeven eeuwen voor Chr. was er ten Noorden van de stad al een zeehaven en in 118 vóór Chr. werd de stad gesticht bij decreet van de Romeinse senaat, Colonia Narbo Martius. Dit werd een strategisch kruispunt van wegen en een bloeiende haven. Vanaf de 14e eeuw raakt Narbonne in verval: de rivier de Aude verandert haar loop, de 100-jarige oorlog had de stad in belangrijke mate verwoest, en de pest brak uit. De zeebaai slibde dicht met zand en rivierslib. Tegenwoordig breidt de stad zich weer uit en bruist het van de activiteiten. Vooral het toerisme en de wijnbouw in de omgeving zorgen nu voor economische welvaart. Vanuit Narbonne is het mogelijk om een tocht door het kustgebied te maken richting zee en strand, bij Port-la-Nouvelle. Niet echt een toeristische stad, meer een no-nonsense havenstadje, hoewel toch ook de 3e Franse haven aan de Middellandse Zee! Wij vonden het een prachtige route: flamingo’s, paarden, smal, veel bochten en zoutpannen. En het strand is op fiets- of zelfs loopafstand. Terug op het Canal du Midi bereiken we via Argeliers, het plaatsje Capestang. Dit is een van die typische stadjes aan het Canal du Midi waar we gewoonweg niet aan voorbij kúnnen gaan. Het is een “loom” stadje met een supermarkt, een café, ’n restaurant en twee keer in de week markt. Aan een simpel dorpsplein staat een prachtige kerk, die we uren na het verlaten van het stadje, vanaf de boot nog steeds kunnen zien, In de haven horen we de gemeentelijke omroepdienst meermalen roepen dat de visboer, de groenteboer of wie dan ook, vandaag weer op de markt staan en wat ze zo in de aanbieding hebben, altijd voorafgegaan door een oubollig muziekje en een koddige aanroep via een krakende installatie “allo, allo”. Voor veel mensen is Capestang dé plek om gedurende de winter aan het kanaal te verblijven, vooral omdat er water- en stroomaansluitingen zijn.

Via Poilhes en Colombiers komen we bij de tunnel van Malpas. Dit is de eerste scheepvaarttunnel die in Frankrijk gebouwd werd. Niemand kon zich voorstellen dat je een gat door een berg heen kon maken, en er water door kon laten stromen waar dan de schepen doorheen konden varen. In 6 dagen tijd liet Riquet de 165 meter lange en 8 meter brede tunnel uithouwen. De critici waren verbijsterd over dit staaltje engineering.

Bij de tunnel van Malpas ligt ook het Opdium van Ensérune (geforticifeerde stad). Een van de grootste van het Middellandse Zeegebied. Opgravingen sinds 1915 hebben veel overblijfselen uit verschillende perioden naar boven gebracht. Van 600 vóór Christus tot de eerste eeuw na Chr. Het meeste materiaal is te bezichtigen in het daar gevestigde museum. Vanuit het Opdium heb je een geweldig uitzicht over de voormalige binnenzee, Étang de Montady, in 1247 drooggelegd. Het ziet er uit als een grote zon, waarvan de stralen worden gevormd door de slootjes die het water naar een centraal reservoir voeren. Vandaar uit werd het water via een aquaduct dat door de heuvel heenloopt, verder gevoerd naar het voormalige Étang de Capestang, dat pas in de 19e eeuw werd drooggelegd.

Als we door de tunnel van Malpas zijn, komen we bij “Les Neuf Écluses de Fonséranes”. Dit is een 312 meter lange sluizentrap, met tegenwoordig 7 sluizen, waarmee een hoogteverschil van 25 m wordt overbrugd. Op een zonnige zondagmiddag staan er soms wel honderden mensen te kijken hoe die bootjes het er van af brengen. Twee keer per dag is er gelegenheid om de trap op te gaan en 2 keer om de trap af te dalen. Een unieke ervaring!

De sluizentrap brengt ons via een kanaalbrug over de Orb en een magnifiek uitzicht, naar Béziers. Dit is de belangrijkste wijnstad van de Languedoc en niet in de laatste plaats de geboorteplaats van Pierre-Paul Riquet, de man die het Canal du Midi liet graven. De stichter van het Canal du Midi is hier geëerd met een 600 m lange boulevard die zijn naam draagt en waar een standbeeld voor hem is opgericht. Daar vindt je veel cafés, restaurants en bioscopen. De meeste plaatsjes langs het Canal du Midi hebben wel een Riquet straat, laan, plein of steeg. De stad Béziers bestond al eeuwen voor Chr. en werd 35 voor Chr. een Romeinse nederzetting. Ook hier dus een keur aan mogelijkheden waar het cultuur en oudheid betreft. In de zomermaanden kun je bij het Office de Tourisme terecht voor georganiseerde rondwandelingen. De St-Nazaire Cathédrale ( uit 760 !) is mede beeldbepalend voor Béziers.

Tenslotte bereiken via Villeneuve-lès-Béziers, Portiragnes en Vias de “grote sluis” van Agde. Hier kun je uit twee poorten kiezen om de sluis weer te verlaten: de één gaat via het hart van de stad naar de zee; de ander komt uit in de rivier de Herault, waar je het stadscentrum op 10 minuten fietsafstand hebt. Vanuit Agde is het (mooie zand)strand te bereiken via een weg die langs de monding van de rivier de Hérault en de haven loopt. Verder ligt Agde vlak bij de Mont St-Loup, een heuvel van vulkanische oorsprong, waarvan het lavasteen op grote schaal voor de bouw van de stad is gebruikt. Ook de plaatselijke 12e eeuwse cathédraal, de St-Etienne, met 2 tot 3 meter dikke muren, is met deze lavasteen gebouwd. Olijfbomengaarden, boeren, wijnbouw, visserij en toerisme zijn bronnen van inkomsten voor Agde.